zondag 29 april 2012

Arabische Winter

Een rustig mysterieuze sfeer hangt er in theaterzaal ’t Woord in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. De Berberse klanken galmen door de holle ruimte, samen met de opzwepende stem van de zangeres. De geluiden doen iets met me. Ik luister niet alleen, maar laat de muziek mijn lichaam doordringen. Naast mij klapt een vrouw van middelbare leeftijd en iets dunner grijs haar het ritme van de drums op haar schoot. Achter in de zaal klinkt een hoge uitroep van een jonge vrouw met een bordeauxrode hoofddoek. Haar lippen vormen de woorden van het lied.
Terwijl de Arabische melodie de ruimte vult, denk ik aan de woorden die Martin Verbeet, woordvoerder Kunst en Cultuur in de gemeenteraad van Amsterdam, zojuist sprak: “Ik hou van het Amsterdam waar we verrijkt worden door andere culturen. Een Amsterdam dat mij bevrijdt.” Utopisch bijna, zijn schets van multicultureel Amsterdam. “Waar heeft hij met zijn hoofd gezeten de afgelopen jaren? Is de realiteit niet veel harder?” dacht ik meteen.
Die hardheid in de Nederlandse samenleving staat in scherp contrast met de zachtheid in deze zaal. De man die in het Arabisch dicht hoezeer hij Irak mist. De vrouw die van haar klaagzang over haar ervaringen in de Libische oorlog proza heeft getoverd. De grapjes die presentator Mimoun Ouled Radi tussendoor maakt over Marokkanen, waar de hele zaal om moet lachen. Jurylid Halil Gür, die vertelt dat hij de jonge schrijvers die meedoen aan deze literatuurwedstrijd, een hart onder de riem wil steken, omdat je ‘jonge bomen nog kunt buigen.’  
De zachtheid overstemt bij het applaus dat klinkt nadat Verbeet zijn hoop uitspreekt voor een kabinet met een vleugje minder Wilders. De zachtheid overstemt die middag, omdat het applaus net zo hard klinkt voor het, voor de halve zaal onverstaanbare Arabisch gedicht, als voor alle Nederlandse voordrachten.
De Marokkaanse zangeres overstemt mijn cynische gedachten over de harde realiteit. Even bestaat er voor mij geen enkele ‘kut-Marokkaan’, geen Wilders, geen boerkaverbod en geen haatsamenleving, waarin men elkaar de lucht in de longen niet gunt. Een lichtje hoopt ontwaakt in me: wat een rijkdom, dat wij in ons thuisland zoveel mee kunnen krijgen van andere culturen.
Utopisch? Ja. Maar is dit utopische denken niet de enige manier om ooit een échte multiculturele samenleving te worden, waarin elke cultuur er mag zijn?
Beter haten we niet, en beginnen we met een beetje dromen. Zo kunnen we zelf gaan kijken wat de Arabische cultuur te bieden heeft, naast de geschetste beelden van ‘grote boze Allah’, gewelddadige mannen en heilige oorlogen.
Zou Nederland ook nog een jonge boom zijn? Of is hij inmiddels een oude tak die breekt bij de eerstvolgende vreemde invloed?
Volgens mij wordt het tijd dat er in Nederland een einde komt aan de Arabische Winter.

1 opmerking: